La Déésse |
|---|
| 1955, Parijs, Grand Palais des Expositions. |
Frankrijks grootste autoshow wordt opgeschrikt door de komst van een wel heel futuristische auto. Was het wel een auto? Het had meer weg van een UFO. Citroën presenteerde de DS, een gewaagd model die in geen enkel opzicht leek op de auto die men toentertijd gewend was. De DS bleek een auto met veel technisch vernuft, een ongekend comfort en een indrukwekkende aerodynamische uitstraling. Onnodig te zeggen dat deze wagen insloeg als een bom. Op de eerste dag van de show werden maar liefst 12.000 bestellingen genoteerd en aan het einde van de beurs waren er zelfs 80.000 DS-sen besteld. De DS was een hit, met stip op 1. Het meest indrukwekkende aan de DS was het hydropneumatische veersysteem. Dit unieke systeem was in staat de auto altijd op dezelfde rijhoogte te houden, ongeacht de aard of plaats van belasting. Een wereld van comfort in vergelijking met de toen conventionele veersystemen. Dit systeem was ook verantwoordelijk voor het remmen van de auto en voor de semi-stuurbekrachtiging. Het remmen ging van 2 voeten naar de kleine teen en het sturen werd aangenaam om te doen. Eveneens werd het hydraulische systeem gebruikt om de koppeling te bedienen voor de semi-automatische versnellingsbak. Wel schakelen maar niet koppelen, je kon dus één been thuislaten. De belangrijkste mensen rond de ontwikkeling van de DS waren André Levebvre, Flaminio Bertone en Paul Magès. Levebre was misschien wel de belangrijkste. Hij zag veel voordeel in voorwielaandrijving en paste dit toe op de Traction Avant en later de 2CV. Een begaafd man. Bertone nam de vormgeving voor zijn rekening en deed dit niet bepaald onverdienstelijk. Magès was, niet voorzien van enige technische opleiding, verantwoordelijk voor het hydraulische systeem. Er werd een scala aan modellen uitgedacht. Teveel om op te noemen. De auto's werden uitgebracht in een 1.9, 2.0, 2.1 en 2.3 liter motor. De laatste 2 ook nog in een injectie-uitvoering. Daarnaast kwam men met de zéér luxe Pallas uitvoering. Fantastische bekleding en stoelen waar je niet meer uit wilde opstaan. De aandrijving werd verzorgd door de 4-bak half-automaat, de 4 & 5 handversnellingsbakken en de Borg Warner volautomaat. Deze laatste bleek helaas niet zo sterk als men gehoopt had, revisie om de 100.000 km bleek noodzakelijk. In 1975 viel het doek. In augustus werd de laatste van een reeks van 1.330.775 DSsen van de band gehaald. Onofficiëel is er in 1978 nog een Chapron gebouwd. Deze cabrio kreeg een nieuw chassis van 1973 maar het kenteken was van 1978. De DS werd na de eeuwwisseling beloond met het certificaat "ontwerp van de eeuw". Iets wat geen enkele Citroënliefhebber zal bestrijden. |